maandag 5 juni 2017

Participatiesamenleving is niet maakbaar

We zitten in de omslag naar een 'participatiemaatschappij'. Mensen moeten meer zelf doen en meer samen doen. Vadertje Staat trekt zich terug en wil alleen nog maar het hoogst noodzakelijke doen. Maar willen, weten en kunnen Nederlanders wel als het om maatschappelijke participatie gaat? De participatiesamenleving is misschien minder maakbaar dan gedacht.


Enkele bevindingen over de participatiesamenleving op een rij:

Nederlander twijfelt over participatie


Nederlanders hebben grote twijfels over de participatiesamenleving. Een meerderheid (75%) vindt dat de overheid haar eigen verantwoordelijkheden heeft en deze niet kan afschuiven op de burgers. Dit blijkt uit het onderzoek ‘Solidariteit in Nederland’, dat verzekeraar Achmea in 2015 liet uitvoeren door marktonderzoeksbureau GfK.

In het organiseren en waarborgen van solidariteit wordt de overheid nog altijd als belangrijk ervaren. 71% van de bevolking vindt de overheid onmisbaar voor de solidariteit tussen sterken en zwakken. Bijna drie op de vier Nederlanders (74%) vindt dat de overheid moet zorgen voor zorg en huisvesting van ouderen. Ook vinden mensen dat men zelf moet sparen voor de oude dag (71%). Nederlanders voelen zich in de eerste plaats solidair met wie ze zich verwant voelen. Men is vooral solidair met familie en vrienden, anderen volgen op afstand. Opvallend daarbij is dat mensen zich over het algemeen veel meer solidair voelen met ouderen (70%), dan met jongeren (39%).

Burger kan wel wat hulp gebruiken


Mensen hebben moeite met zelfregie 
De vele burgers-helpen-burgers initiatieven zoals WeHelpen en WijZelf komen op een goed moment. Dat blijkt uit recent onderzoek van kennisinstituut Nivel. Een op de twee Nederlanders (50 procent) heeft moeite om zelf de regie te voeren over gezondheid, ziekte en zorg. Het ontbreekt hen aan kennis, motivatie en zelfvertrouwen. Drie op de tien volwassen Nederlanders (30 procent) beschikt over ONvoldoende functionele lees- en rekenvaardigheden en onvoldoende vermogen om (gezondheids-)informatie te vinden en te verwerken.

Uit eerder onderzoek van het Nivel kwam een vergelijkbaar beeld naar voren: ongeveer 25 procent van de ouderen heeft voor zijn gevoel weinig ‘regie’ over zijn eigen leven en verwacht dat het op eigen kracht niet zal lukken lang ‘zelfredzaam’ te blijven. Nivel spreekt in dit verband over vier groepen ouderen: Pro-actieve Oudere (46%), Zorgwensende Oudere (28%), Machteloze Oudere (16%) en de Afwachtende Oudere (10%).

Zelfredzaamheid naar vermogen
Dat veel burgers kampen met een gebrek aan zelf organiserend vermogen blijkt ook uit de grote schuldenproblematiek. Grofweg een op de drie huishoudens puzzelt elke maand hoe ze de rekeningen moeten betalen. Deskundigen pleiten voor 'zelfredzaamheid naar vermogen'. Want mensen hebben nu eenmaal verschillende capaciteiten en vermogens. De een kan goed omgaan met geld en de digitale kennis die daar tegenwoordig bij hoort en voor de ander is het heel ingewikkeld. Voor de een is het bijhouden van een boekhouding een fluitje van een cent, voor mensen die van verschillende inkomensstromen afhankelijk zijn is het heel ingewikkeld. Mensen snappen al doe ingewikkelde brieven niet en raken het vertrouwen kwijt.

Het draait om doen- en denkvermogen
De overheid heeft vaak een te rooskleurige kijk op de zelfredzaamheid van burgers op het gebied van gezondheid, persoonlijke financiën en de arbeidsmarkt. Dat constateert de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in het rapport 'Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid' uit 2017.

Naast denkvermogen is ‘doenvermogen’ minstens zo belangrijk om aan de hoge eisen van de participatiesamenleving te kunnen voldoen. De WRR wijst in dit verband op het belang van niet-cognitieve vermogens, zoals een doel stellen, in actie komen, volhouden en om kunnen gaan met verleidingen en tegenslag. Kennis en intelligentie alleen zijn niet genoeg voor redzaamheid, aldus de WRR. Ook mensen met een goede opleiding en een goed inkomen kunnen in moeilijkheden komen, omdat ze even niet opletten of zaken voor zich uitschuiven. Dat geldt zeker op momenten dat het leven tegenzit, zoals bij een echtscheiding, faillissement of ontslag. En soms is het juist de overheid die mensen minder redzaam maakt, omdat ze onvoldoende rekening houdt met verschillen in het "doenvermogen" van burgers.

Toegespitst op het gezondheidsdomein blijkt dat de mondigheid en besluitvaardigheid van burgers vaak onder grote druk komen te staan, wanneer ze van een gezond persoon in een patiënt veranderen. Mensen zijn in zo'n geval vaak bang, deze angst is één van de factoren die er toe leidt dat ze de helft van de informatie in de behandelkamer vergeten.

Burgers zijn niet zo zelfredzaam als gewenst en gedacht
Tot deze conclusie komt een team van sociale wetenschappers dat in 2015 langdurig onderzoek deed in zes gemeenten naar de gevolgen van de decentralisatie, het overhevelen van jeugdzorg, delen van langdurige zorg en arbeid naar gemeenten.  De onderzoekers constateren dat het ideaal van de zelfredzame burger breed wordt gedeeld. Iedereen gelooft erin, niet alleen politiek Den Haag en beleidsmakers, maar óók hulpverleners in en buiten wijkteams. Maar de hulpverleners handelen niet naar dit ideaal. Juist niet-zelfredzame burgers kloppen bij de wijkteams aan. Professionals moeten een beroep doen op de kring om de cliënten heen, maar lang niet altijd is er zo'n sociaal netwerk van familie en vrienden. En als die mensen er wel zijn, dan moeten ze niet zelf bijna overspannen zijn van de hulp die ze al bieden. Vereiste is ook, dat familie en vrienden de capaciteiten hebben om te helpen; de lamme heeft niks aan de blinde. In het kort de bevindingen: (1) Iedereen gelooft in zelfredzaamheid, naast de politiek ook hulpverleners. (2) Maar hulpverleners handelen er niet naar, blijkt uit onderzoek van wetenschappers. (3) Hulpbehoevenden willen hun familie niet belasten.

Burgers hebben groot sociaal netwerk
Bijna iedereen in Nederland kan bij familie en vrienden terecht voor hulp bij financiële of persoonlijke problemen. Dat concludeert CBS in 2015 naar aanleiding van onderzoek naar het functioneren van sociale netwerken in Nederland. Slechts een te verwaarlozen percentage zegt op niemand een beroep te kunnen doen bij problemen van persoonlijke of financiële aard. Bijna een derde van de 65-plussers vraagt dan niet om hulp. Jongeren hebben daar minder moeite mee. Onder 18- tot 25-jarigen doet slechts 5 procent geen beroep op anderen bij geldnood. Het CBS constateert dat hoger opgeleiden een groter sociaal netwerk hebben dan laagopgeleiden. Zo kan driekwart van de hoogopgeleiden een beroep doen op vrienden om persoonlijke problemen te bespreken. Bij laagopgeleiden ligt dat percentage op 41.

Mantelzorg niet vanzelfsprekend 
Het is maar de vraag of de overheid succes kan boeken bij het stimuleren van mantelzorg. Vier op de tien relaties tussen ouders en volwassen kinderen zijn niet harmonieus. Van de broers en zussen heeft de helft weinig, slecht of geen contact. Als bloedverwanten elkaar al de helpende hand toesteken, bij ziekte of werkloosheid, neemt het aantal onderlinge conflicten vaak toe. Dat schrijft onderzoeker en socioloog Martijn van Hogerbrugge - op basis van een analyse van de familiebanden in Nederland - in Demos, het blad van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). De kern van het betoog van Hogerbrugge is dat familiebanden in beton lijken gegoten. Is het contact afstandelijk, of conflictueus, of juist heel intiem? Dan is dat tien jaar later doorgaans nog zo. De flexibiliteit om het contact op te schroeven als een zus of vader hulpbehoevend wordt, is er vaak niet. Daarvoor zijn de patronen van contact te diep ingesleten.

De zorgen van Hogerbrugge worden gedeeld door Theo van Tilburg, sociaal gerontoloog aan de VU, niet betrokken bij de studie en eveneens gespecialiseerd in familiebanden. 'De overheid overschat de mogelijkheden', zegt Van Tilburg.Volgens Van Tilburg maken de meeste families geen goede afspraken over wie wat doet als papa of mama gebrekkig wordt. 'Meestal is het één familielid die alles doet tot hij - of liever gezegd - tot zij erbij neervalt.', aldus een artikel op Volkskrant.nl in januari 2016.

Kinderen staan niet te trappelen
Bijna de helft van de kinderen (45 procent) denkt hun ouders ook geen mantelzorg te kunnen bieden in de toekomst. De reisafstand is te groot, banen slokken teveel tijd op en/of het eigen gezinsleven krijgt voorrang. Een kleine groep (7 procent) wil hoe dan ook niet zorgen voor hun ouders. Dat blijkt uit een enquête onder ruim duizend Nederlanders, uitgevoerd door marketingbureau USP dat veelal onderzoek doet in opdracht van zorginstellingen. Van de ouderen denkt slechts 1 op de 5 dat er mensen in hun omgeving zijn die ze te zijner tijd een handje helpen. Van de ouderen die nu al ernstige gezondheidsklachten hebben, zegt de helft dat niemand hen mantelzorg wil of kan geven. Inmiddels springen commerciële bureautjes in het gat door plaatsvervangende mantelzorgers leveren.

Aanboren eigen netwerk komt niet van de grond
Het aanboren van het netwerk is een mooie gedachte maar in de praktijk komt er niet veel van terecht. Dit constateert branchevereniging Actiz in 2016 op basis van 308 observaties van (keukentafel)gesprekken thuis en 137 interviews met leden van wijkteams in zes Nederlandse steden. Het onderzoek laat verschillende oorzaken zien:
  • Eigen netwerk is overbelast.
  • Eigen netwerk ontbreekt of is zwak (veel mensen hebben niemand, zijn eenzaam).
  • Eigen netwerk heeft zelf of onderling problemen (ziek, ruzie, huiselijk geweld, schulden).
  • Eigen netwerk (kinderen e.d.) woont te ver of is niet flexibel of mobiel genoeg.
  • Cliënten accepteren de hulp of zorg van een onbekende niet snel (betrouwbaarheid, veiligheid, juiste match, persoonlijke klik).

Dat het extra aanboren van het eigen sociale netwerk lastig is, zien ook onderzoekers in het vierjarig onderzoeksproject 'de beloften van nabijheid' van de UvH en UvA. Een onderzoek naar de effecten van ‘de zorg dichtbij’ door de decentralisatie. Enkele eerste bevindingen: ‘Professionals worstelen met het afronden van de hulp omdat ze zoveel problemen tegenkomen.' en 'Het sociaal netwerk springt in de praktijk niet vaker bij dan eerst.’

Burenhulp blokkeert inzet professionele hulp
66 procent van de ouderen is bang dat vrijwillige burenhulp ten koste gaat van professionele zorg. Als in het ‘keukentafelgesprek’ blijkt dat de buren bijspringen, zou dat kunnen zorgen voor een afwijzing van professionele zorg, zo vrezen veel ouderen. Dat constateert Plus Magazine op basis van een enquête onder 1300 vijftigplussers in 2015. Bijna de helft (49 procent) van de ondervraagde vijftigplussers kan zich voorstellen in geval van nood de buren te helpen met zorgtaken. Wel vindt bijna iedereen (97 procent) belangrijk dat burenhulp een vrije keuze is. Het mag geen verplichting worden en mantelzorg voor de buren mag ook geen dagtaak of nachtwerk worden.

Burgerhulp niet vanzelfsprekend
Ook sociale hulp door 'burgerparticipatie' is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. 75 procent van de Nederlanders neemt aan dat familie, vrienden of buren komen helpen als ze hulpbehoevend zijn. In de praktijk krijgen slechts 40 procent van de mensen die langdurig in de lappenmand zitten die hulp. Onder de kwetsbare groep 75-plussers is dat beduidend minder. Dat blijkt uit het SCP-rapport 'De WMO in beweging' uit 2014. Lees mijn eerdere blog over burgerparticipatie.

Kwetsbaren vallen tussen wal en schip
40 procent van de Nederlanders kent minimaal één buurtbewoner waarvan zij vermoeden dat deze niet goed de hulp kan regelen die voor hem of haar nodig is. Dit blijkt uit een enquête onder ruim 1.000 Nederlanders, uitgevoerd door onderzoeksbureau Motivaction in opdracht van VUmc. Wie is er eigenlijk verantwoordelijk voor hulp aan de groep kwetsbaren die niet op familie en vrienden kan terugvallen? Dat is een van de vragen die de overheid/maatschappij nog moet oplossen.

Nog meer opvallende punten uit de online enquête van Motivaction, gehouden in september 2016 onder 1.026 Nederlanders tussen 18 en 80 jaar:
  • Stadsbewoners voelen minder betrokkenheid bij buurtbewoners en leveren minder vaak een actieve bijdrage aan hun buurt
  • De helft van de stadsbewoners kent iemand in de buurt waarvan ze denken dat deze niet in staat is zelf benodigde hulp te regelen
  • 1 op de 10 Nederlanders geeft aan inderdaad niet zelf te weten hoe ze hulp kunnen regelen als dat nodig is
  • Ruim 60% van de ondervraagden vindt dat de huisarts een oogje in het zeil moet houden
  • 68% van de Nederlandse biedt vaker dan eens per jaar hulp aan buurtgenoten die men goed kent. Bij onbekende buurtgenoten is dat veel minder: 39%.
  • Ruim 60% van de Nederlanders is het niet eens met het kabinet dat wil dat burgers meer eigen verantwoordelijkheid nemen en minder beroep doen op de overheid

Buurtparticipatie hangt sterk af van het inwonerprofiel
Burgerparticipatie (in Rotterdam) komt significant minder voor in buurten met de meeste lage inkomens en met een hoge mate van etnische diversiteit, dan in de meer gegoede buurten van de stad. Dit geldt voor drie belangrijke vormen van burgerparticipatie: vrijwilligerswerk, buurtparticipatie en mantelzorg.

Dat wijst onderzoek uit van de Erasmus Universiteit in 2015, gebaseerd op de Rotterdamse Sociale Index waarbij zo’n 15.000 Rotterdammers zijn betrokken, In het rijke Kralingen wordt meer vrijwilligerswerk verricht, zijn bewoners actiever in de buurt en wordt meer aan mantelzorg gedaan dan in de arme wijken van Rotterdam-Zuid, zoals de Afrikaanderwijk, Bloemhof en Feyenoord. En juist deze arme wijken, die veel sociale problemen kennen, zijn gebaat bij succesvolle burgerinitiatieven.

Nadere analyses wijzen uit dat verschillen tussen buurten vooral samenhangen met individuele kenmerken van bewoners. Hogeropgeleiden participeren meer dan laagopgeleiden, autochtonen meer dan allochtonen, huizenbezitters meer dan huurders en mensen met veel contact en binding met de buurt participeren meer dan mensen met weinig contact en binding. Deze mensen wonen vaak in de rijkere buurten.

Maar we zien ook dat burgers uit wijken met veel lage inkomens wel meer participeren dan je op grond van hun individuele profiel (veel laagopgeleiden, veel migranten, veel mensen die maar kort in de buurt wonen) zou verwachten. Er is nadrukkelijk sprake van burgerinitiatieven in arme wijken waarbij niet alleen de usual suspects zijn betrokken, maar ook jonge allochtone vrouwen en lager opgeleiden. En we zien ook dat er uitzonderingen zijn op de regel dat buurtinitiatieven in arme, diverse wijken achterblijven. Een bekend voorbeeld is de Rotterdamse wijk het Oude Westen, dat een rijke traditie kent van burgerparticipatie.

Cruciaal is dat het om laagdrempelige voorzieningen gaat waar bewoners kansen krijgen om zich te ontwikkelen. Soms vraagt dat om extra steun van de overheid en begeleiding door professionals en soms is dat helemaal niet nodig. Dat verschilt van buurt tot buurt zoals Rotterdam laat zien. Maar om groeiende ongelijkheden te voorkomen dient de aanwezigheid van voldoende publiek kapitaal in kwetsbare buurten een centraal aandachtspunt te zijn van het lokale sociale beleid.

Diversiteit in burgerparticipatie ontbreekt
Nog een aandachtspunt: alleen autochtone, goed opgeleide 45-plussers doen mee aan burgerbijeenkomsten over het reilen en zeilen van hun gemeente. Die gebrekkige variatie komt naar voren in rapportages over de G1000-bijeenkomsten, zo blijkt uit een schrijven van minister Plasterk (Binnenlandse zaken) in november 2015 aan de Kamer.

Ouderen kunnen hulpsites niet vinden
Dat was de kop van een krantenartikel in de Gelderlander begin oktober 2014. Uit een NPCF-onderzoek onder 20.000 Nederlanders blijkt dat het overgrote deel van de ouderen onbekend is met sites als wehelpen.nl of zorgvoorelkaar.nl waarop hulp wordt aangeboden of kan worden gevraagd. Ook blijkt dat veel meer mensen hulp aanbieden dan er hulp vragen. Mensen die de sites wel kennen, twijfelen geregeld over de veiligheid. Het onderzoek wijst ook uit dat wie hulp zoekt, best bereid is een kleine vergoeding (5 euro) te betalen. Maar veel mensen die hulp aanbieden, hoeven geen geld. Zij bieden zich als vrijwilliger aan. Vaak vragen mensen om gezelschap. Ook vervoer en boodschappenhulp zijn veel gevraagd. Onbekend maakt onbemind, ook bij burenhulpsites.

Ouderen kennen het WMO-loket niet  
Uit onderzoek van SCP (2015) blijkt dat 35 procent van de zelfstandig wonende volwassenen onbekend is met het WMO-loket waar men over het algemeen de zorg en ondersteuning moet aanvragen.

Cliëntondersteuning vaak onvindbaar
Mensen die thuis wonen en zorg krijgen of nodig hebben, weten vaak niet dat ze recht hebben op ondersteuning voor het regelen van allerlei zaken. Dat blijkt uit een onderzoek van de Patiëntenfederatie Nederland uit 2017. Het gaat om onafhankelijke 'cliëntondersteuners' die worden betaald door de gemeente of de zorgverzekeraar. Mensen weten vaak niet dat deze ondersteuning bestaat en dat het voor hun gratis is, stelt de patiëntenfederatie. “Als ze er niet om vragen, krijgen ze het niet. Het beste zou zijn als de gemeente bij de uitnodiging voor een eerste zorggesprek meteen een cliëntondersteuner aanbiedt'', aldus een woordvoerder. Maar soms weten gemeenten volgens hem zelf niet dat dit bestaat. De regelingen voor zorg en ondersteuning (WMO en WLZ) zijn soms zo complex dat mensen het niet goed begrijpen. Om die reden is er onafhankelijke cliëntondersteuning in het leven geroepen. Mensen die deze ondersteuning krijgen, zijn daar vaak tevreden over.

Senioren kiezen liever zélf, ook als het meer kost
Zelfstandigheid en vrije keuze zijn belangrijker dan geld. Dat is de opvallende conclusie uit onderzoek van ANBO (2016). Uit een peiling onder 895 leden blijkt dat de respondenten liever iets meer betalen en zelf kiezen, dan besparen en de keuze overlaten aan een ander. Zo verkiest 75 procent van de respondenten de vrije keuze voor een zorgverlener boven een goedkopere maandpremie. En 74 procent heeft liever een betaalde mantelzorger dan de inzet van vrienden en familie. In 2014 was dat nog 66 procent. Sowieso is eigen keuze erg belangrijk: maar liefst 82 procent van de respondenten verkiest zorg op maat boven ‘iedereen dezelfde zorg’.

Oud worden in Nederland
Het aantal kwetsbare ouderen in Nederland neemt (snel) toe. Nu daarbij steeds meer ouderen zelfstandig wonen met minder professionele ondersteuning, wordt de buurt steeds belangrijker voor hun kwaliteit van leven. Veel ouderen hebben er relaties die ver teruggaan, maken gebruik van publieke voorzieningen en in steeds meer buurten bestaan vrijwilligersinitiatieven voor ouderen. Buurten kunnen zo een positieve bijdrage leveren aan de levens van de ouderen die er wonen. In het rapport Oud worden in Nederland (2017) belicht het SCP in een serie artikelen het belang van buurten en dorpen voor zelfstandig wonende ouderen vanuit verschillende invalshoeken. Met dit rapport wil SCP laten zien hoezeer ouderen en plaatsen waar mensen oud worden van elkaar verschillen en hoe ingewikkeld het is om daar met beleid en concrete maatregelen bij aan te sluiten.

Zelfregie in het verpleeghuis werkt niet


Antropologe Susanne van den Buuse liep en sliep voor haar promotieonderzoek aan de Universiteit van Amsterdam in 2016-2017 anderhalf jaar in een verpleeghuis. Ze observeerde ouderen, zorgmedewerkers, managers en bestuurders. Ze zag dat de thema's 'zelfredzaamheid' en 'zelfregie' veel tijd kosten en tot verwarring leiden. Enkele observaties in eigen woorden vertaald:

  • Het benadrukken van zelfregie en zelfredzaaamheid benadrukt het feit dat ouderen veel dingen zelf niet meer kunnen en afhankelijk zijn. Veel ouderen worden daar niet vrolijker van.
  • Veel ouderen willen of kunnen die zelfregie niet invullen. Denk aan ouderen met dementie en/of gedragsproblemen. 
  • Versterken van zelfredzaamheid kost veel tijd, want kwetsbare ouderen kunnen niet alles zelf waardoor het altijd samen met de zorgmedewerker moet gebeuren. Die onderlinge afstemming en wisselwerking bespaart geen tijd, maar kost juist (extra) tijd.

Van Buuse concludeert in een artikel in Trouw een aantal zaken: zelf doen bestaat niet in een verpleeghuis, zelf doen is altijd samendoen, als mensen verplicht worden tot 'zelfregie' dan is het geen 'eigen regie' meer (paradox) en als je het toch wilt, ga eerst met de mensen zelf goed in gesprek en besteed het niet uit aan maatschappelijk werk of psycholoog.

De maakbare samenleving


Kortom, Nederlanders hebben grote twijfels over de participatiesamenleving. Een dikke meerderheid vindt dat de overheid haar eigen verantwoordelijkheden heeft en deze niet kan afschuiven op de burgers. Daarnaast zijn er grote groepen Nederlanders die op het gebied van participatie niet willen, weten en/of kunnen. Hoewel de ingezette koers logisch klinkt en min of meer noodzakelijk, laten dit soort onderzoeken en de praktijk van alle dag zien dat de participatiesamenleving minder maakbaar is dan gedacht. Een 'one size fits all'-aanpak lijkt sowieso gedoemd te mislukken. De aanhouder wint zullen we maar zeggen, ook in dit geval?

Juiste medicijn


Wat kun je aan bovenstaande constateringen doen? Veel, lijkt me. Hieronder zal ik de initiatieven op dit gebied verzamelen zover ik ze in de media en in eigen adviespraktijk tegen kom.

Beter communiceren
Het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) krijgt een Europese subsidie van 450 duizend euro voor de ontwikkeling van een onderwijsprogramma waarmee zorgverleners beter leren communiceren met oudere patiënten met 'lage gezondheidsvaardigheden'. Het programma moet bijdragen aan het verbeteren van de zorg voor deze ouderen. (Bericht op Skipr.nl, 23 juli 2017).

Eén loket voor alle (complexe) zorg 
Mensen die complexe of langdurige zorg nodig hebben, lopen aan tegen enorme bureaucratie en blijven daardoor soms verstoken van zorg. Lange aanvraagprocedures, lange wachttijden en klachten over de bejegening. Dat blijkt uit onderzoek van Ieder(in) en Patiëntenfederatie Nederland.
De problemen doen zich vooral voor als mensen zorg vragen bij de gemeente. Het ontbreekt gemeenten vaak aan expertise, waardoor er te weinig of te lichte zorg wordt toegekend.

Het advies is o.a. dat één loket moet komen waar alle vormen van zorg worden geregeld. Ook moet de eigen bijdrage voor zorg en ondersteuning worden verlaagd en aan een maximum gebonden. Verder moet de informatievoorziening worden verbeterd en gebundeld op één centrale plek.
Lichtpunt: mensen met een eenvoudige zorgvraag ervaren overigens juist steeds minder obstakels. Ze weten steeds beter waar ze aan toe zijn, aldus het onderzoek. (Bericht Skipr.nl, 14 juli 2017).

Spil in het netwerk nodig
Kwetsbare ouderen hebben een spil in het netwerk nodig voor samenhang in de zorg thuis. Dit concludeert de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) op basis van een pilot naar de zorg thuis bij ouderen in Houten. Ook is meer samenhang nodig tussen de zorg die geboden wordt en de mogelijkheden tot ondersteuning vanuit de gemeente. De inspectie ziet hier nu een grote afstand tussen. Zorgverleners zijn vaak onbekend met de ondersteuners in het netwerk. Ook weten zij vaak niet wat de gemeente kan bieden. Daarnaast bereikt de gemeente kwetsbare ouderen en hun mantelzorgers zelf ook nog onvoldoende. (Bericht op Skipr.nl, 20 juli 2017).

Buren helpen buren
Op dit gebied zijn er tientallen, zo niet honderden websites, organisaties en instellingen. Van het bekende WeHelpen, ondersteuningsprogramma's voor mantelzorgers tot lokale buurtapp-groepen. Kijk voor een overzicht mijn artikel over Buren helpen Buren.

Ken jij nog meer verbeterinitiatieven? Laat het weten.




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen